EPSO-tests · EU-kennis · Oefenen

EPSO EU-kennis: 10 oefenvragen, volledig uitgewerkt

Instellingen, stemmingen, begroting, grondrechten en bevoegdheden. Beantwoord elke vraag en bekijk daarna het Verdragsartikel dat de doorslag geeft en de valkuil achter elke foute optie.

Gepubliceerd op 28 oktober 2026 · 10 vragen · ~15 min

De EPSO-test EU-kennis beloont studeren directer dan enig ander onderdeel van het AD5-vergelijkend onderzoek: de antwoorden staan in de Verdragen. Deze tien oefenvragen gaan over de instellingen, de wetgevingsprocedure, het stemmen in de Raad, de begroting, de grondrechten en de bevoegdheden van de Unie. Elk antwoord noemt het Verdragsartikel waarop het berust en legt uit waarom elke foute optie fout is.

Zo gebruikt u deze pagina. In het AD5-vergelijkend onderzoek (EPSO/AD/427/26) heeft de test EU-kennis 30 vragen in 40 minuten, afgelegd in uw tweede taal, met een drempel van 15 op 30. Boven de drempel telt elk punt: EU-kennis is goed voor 30% van de voorlopige score en 25% van de eindscore. Dat is ongeveer 80 seconden per vraag; geef uzelf dus 13 minuten voor deze tien, noteer uw antwoorden en open pas daarna de uitleg.

Tien oefenvragen EU-kennis

Vraag 1 · Instellingen · Wetgevingsprocedure · Gemiddeld
Welke instelling heeft volgens de Verdragen normaal gesproken het alleenrecht om wetgevingshandelingen van de EU voor te stellen?
Toon antwoord
Antwoord: C. Artikel 17, lid 2, VEU: wetgevingshandelingen van de Unie kunnen alleen op voorstel van de Commissie worden vastgesteld, tenzij de Verdragen anders bepalen (bijvoorbeeld sommige handelingen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, die een kwart van de lidstaten kan voorstellen).

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — De Europese Raad bepaalt de algemene politieke beleidslijnen van de Unie, maar “oefent geen wetgevingstaak uit” (artikel 15, lid 1, VEU).
• B — Het Parlement kan de Commissie alleen verzoeken een voorstel in te dienen (artikel 225 VWEU); weigert de Commissie, dan moet zij dat motiveren, maar niets verplicht haar tot een voorstel.
• D — De Raad kan, net als het Parlement, de Commissie om een voorstel verzoeken (artikel 241 VWEU), maar kan er zelf geen indienen.

Gewoonte om mee te nemen. “Verzoeken” is niet “voorstellen”. Het Parlement, de Raad en een Europees burgerinitiatief kunnen allemaal verzoeken; alleen de Commissie schrijft het voorstel.
Vraag 2 · Raad · Stemming · Gemiddeld
Wat vereist de “dubbele meerderheid” wanneer de Raad met gekwalificeerde meerderheid besluit op voorstel van de Commissie?
Toon antwoord
Antwoord: A. Artikel 16, lid 4, VEU: de gekwalificeerde meerderheid is ten minste 55% van de leden van de Raad, met ten minste vijftien leden, die lidstaten vertegenwoordigen met samen ten minste 65% van de bevolking. Een blokkerende minderheid moet ten minste vier leden van de Raad omvatten.

Waarom de andere opties fout zijn:
• B — De twee percentages zijn omgedraaid.
• C — 72% is de versterkte gekwalificeerde meerderheid, die geldt als de Raad niet op voorstel van de Commissie of de hoge vertegenwoordiger besluit (artikel 238, lid 2, VWEU).
• D — Er bestaat geen tweederderegel die de bevolking negeert bij stemmingen met gekwalificeerde meerderheid in de Raad.

Gewoonte om mee te nemen. Onthoud de volgorde: eerst de staten (55%), dan de mensen (65%). Het grotere getal beschermt de kant van de bevolking.
Vraag 3 · Europees Parlement · Makkelijk
Hoeveel leden telt het Europees Parlement in de zittingsperiode 2024–2029?
Toon antwoord
Antwoord: D. Besluit (EU) 2023/2061 van de Europese Raad stelde de samenstelling voor 2024–2029 vast op 720 leden. Artikel 14, lid 2, VEU begrenst het Parlement tot 750 leden plus de voorzitter, met 6 tot 96 zetels per lidstaat.

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — 705 was het aantal voor 2020–2024, na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk.
• B — 750 maakt deel uit van het plafond van het Verdrag, niet van het werkelijke aantal zetels.
• C — 751 (750 plus de voorzitter) is het maximum dat het Verdrag toestaat en de omvang van het Parlement van 2014–2019.

Gewoonte om mee te nemen. Leer het plafond (750 + 1) en het huidige aantal (720) samen: EPSO biedt graag het ene aan als valkuil voor het andere.
Vraag 4 · Institutioneel kader · Gemiddeld
Welke van de volgende is geen van de zeven instellingen van de Europese Unie die in artikel 13 VEU worden opgesomd?
Toon antwoord
Antwoord: B. Artikel 13, lid 1, VEU noemt zeven instellingen: het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank en de Rekenkamer. Het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Europees Comité van de Regio's zijn adviesorganen (artikel 13, lid 4, VEU).

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — De Rekenkamer is een van de zeven instellingen.
• C — De ECB is een instelling sinds het Verdrag van Lissabon.
• D — De Europese Raad werd met het Verdrag van Lissabon een formele instelling.

Gewoonte om mee te nemen. “Comité”, “Bank” (EIB), “Agentschap” of “Ombudsman” in de naam wijst meestal op een orgaan, geen instelling. De ECB is de uitzondering om op te letten.
Vraag 5 · Grondrechten · Gemiddeld
Wat is de juridische status van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
Toon antwoord
Antwoord: A. Artikel 6, lid 1, VEU, van kracht sinds het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009: het Handvest “heeft dezelfde juridische waarde als de Verdragen”. Het bindt de EU-instellingen, en de lidstaten alleen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen (artikel 51 van het Handvest).

Waarom de andere opties fout zijn:
• B — Dat was de status vanaf de afkondiging in 2000 tot het Verdrag van Lissabon.
• C — Het Handvest is nooit afzonderlijk geratificeerd; het geldt via artikel 6, lid 1, VEU.
• D — Het EVRM is een verdrag van de Raad van Europa, een andere rechtsorde dan het Handvest.

Gewoonte om mee te nemen. Handvest = EU, Verdrag van Straatsburg = Raad van Europa. Vragen die de twee door elkaar halen, behoren tot de meest voorkomende valkuilen.
Vraag 6 · Rechtshandelingen · Makkelijk
Welke rechtshandeling is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar laat de nationale instanties de bevoegdheid vorm en middelen te kiezen?
Toon antwoord
Antwoord: D. Artikel 288 VWEU omschrijft de vijf rechtshandelingen. Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, en moet binnen een termijn in nationaal recht worden omgezet, met de middelen die elke staat kiest.

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — Een verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat, zonder iets te kiezen.
• B — Een besluit is verbindend in al zijn onderdelen (voor de adressaten, als het die noemt).
• C — Een aanbeveling heeft helemaal geen bindende kracht.

Gewoonte om mee te nemen. Richtlijn = richting naar een resultaat; verordening = overal dezelfde regels, woord voor woord.
Vraag 7 · Begroting · Moeilijk
Hoe wordt de verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader (MFK) vastgesteld?
Toon antwoord
Antwoord: C. Artikel 312, lid 2, VWEU: de Raad stelt volgens een bijzondere wetgevingsprocedure de MFK-verordening met eenparigheid van stemmen vast, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen toestaan dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid besluit.

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — De MFK-verordening volgt een bijzondere wetgevingsprocedure, waarin het Parlement de tekst van de Raad alleen kan goedkeuren of verwerpen, niet amenderen.
• B — De Europese Raad onderhandelt over het politieke akkoord, maar stelt de verordening niet vast.
• D — De Commissie stelt het MFK voor; zij stelt het niet vast.

Gewoonte om mee te nemen. Houd het MFK (plafonds voor zeven jaar: eenparigheid in de Raad + goedkeuring van het Parlement) gescheiden van de jaarbegroting (artikel 314 VWEU: Parlement en Raad samen, met een bemiddelingscomité).
Vraag 8 · Waarden · Artikel 7 VEU · Moeilijk
Wie stelt volgens artikel 7, lid 2, VEU vast dat een lidstaat de in artikel 2 VEU bedoelde waarden ernstig en voortdurend schendt?
Toon antwoord
Antwoord: B. Artikel 7, lid 2, VEU: op voorstel van een derde van de lidstaten of van de Commissie, en na goedkeuring door het Parlement, kan de Europese Raad met eenparigheid van stemmen de schending vaststellen (de betrokken lidstaat stemt niet mee). De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid bepaalde rechten opschorten (artikel 7, lid 3).

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — Vier vijfde is de drempel van artikel 7, lid 1, dat alleen een duidelijk gevaar van een ernstige schending vaststelt.
• C — Artikel 7 is een politieke procedure; de bevoegdheid van het Hof is beperkt tot procedurele punten (artikel 269 VWEU).
• D — Het Parlement geeft zijn goedkeuring (met twee derde van de uitgebrachte stemmen en de meerderheid van zijn leden), maar neemt het besluit niet.

Gewoonte om mee te nemen. Drie stappen, drie organen: de Raad voor het gevaar (7, lid 1), de Europese Raad voor de schending (7, lid 2), opnieuw de Raad voor de sancties (7, lid 3).
Vraag 9 · Bevoegdheden · Gemiddeld
Op welk van de volgende gebieden is de Unie exclusief bevoegd?
Toon antwoord
Antwoord: C. Artikel 3, lid 1, VWEU somt de exclusieve bevoegdheden op: de douane-unie; de vaststelling van de mededingingsregels die nodig zijn voor de werking van de interne markt; het monetair beleid voor de eurozone; de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid; en de gemeenschappelijke handelspolitiek.

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — Milieu is een gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, onder e), VWEU).
• B — Energie is een gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, onder i), VWEU).
• D — Hier kan de Unie het optreden van de lidstaten alleen ondersteunen, coördineren of aanvullen (artikel 6, onder a), VWEU).

Gewoonte om mee te nemen. De vijf exclusieve gebieden zijn het uit het hoofd leren waard. Staat de optie er niet tussen, dan is ze gedeeld of ondersteunend.
Vraag 10 · Europese Raad · Gemiddeld
Hoe wordt de voorzitter van de Europese Raad gekozen, en voor hoe lang?
Toon antwoord
Antwoord: B. Artikel 15, lid 5, VEU: de Europese Raad kiest zijn voorzitter met gekwalificeerde meerderheid voor een termijn van tweeënhalf jaar, eenmaal herkiesbaar. De voorzitter mag geen nationaal mandaat uitoefenen (artikel 15, lid 6).

Waarom de andere opties fout zijn:
• A — Vijf jaar is de ambtstermijn van de Commissie, en het Parlement kiest de voorzitter van de Commissie, niet die van de Europese Raad.
• C — De halfjaarlijkse rotatie geldt voor het voorzitterschap van de Raad van de EU, niet voor de Europese Raad.
• D — De Europese Raad kiest zijn eigen voorzitter, en de termijn kan eenmaal worden verlengd.

Gewoonte om mee te nemen. Twee voorzitterschappen, twee regels: de vaste voorzitter van de Europese Raad (2½ jaar) en het roulerende voorzitterschap van de Raad (6 maanden).

Wat de tien vragen leren

#OnderwerpDe gewoonte om vast te houden
1Instellingen · Wetgevingsprocedure“Verzoeken” is niet “voorstellen”. Het Parlement, de Raad en een Europees burgerinitiatief kunnen allemaal verzoeken; alleen de Commissie schrijft het voorstel.
2Raad · StemmingOnthoud de volgorde: eerst de staten (55%), dan de mensen (65%). Het grotere getal beschermt de kant van de bevolking.
3Europees ParlementLeer het plafond (750 + 1) en het huidige aantal (720) samen: EPSO biedt graag het ene aan als valkuil voor het andere.
4Institutioneel kader“Comité”, “Bank” (EIB), “Agentschap” of “Ombudsman” in de naam wijst meestal op een orgaan, geen instelling. De ECB is de uitzondering om op te letten.
5GrondrechtenHandvest = EU, Verdrag van Straatsburg = Raad van Europa. Vragen die de twee door elkaar halen, behoren tot de meest voorkomende valkuilen.
6RechtshandelingenRichtlijn = richting naar een resultaat; verordening = overal dezelfde regels, woord voor woord.
7BegrotingHoud het MFK (plafonds voor zeven jaar: eenparigheid in de Raad + goedkeuring van het Parlement) gescheiden van de jaarbegroting (artikel 314 VWEU: Parlement en Raad samen, met een bemiddelingscomité).
8Waarden · Artikel 7 VEUDrie stappen, drie organen: de Raad voor het gevaar (7, lid 1), de Europese Raad voor de schending (7, lid 2), opnieuw de Raad voor de sancties (7, lid 3).
9BevoegdhedenDe vijf exclusieve gebieden zijn het uit het hoofd leren waard. Staat de optie er niet tussen, dan is ze gedeeld of ondersteunend.
10Europese RaadTwee voorzitterschappen, twee regels: de vaste voorzitter van de Europese Raad (2½ jaar) en het roulerende voorzitterschap van de Raad (6 maanden).

Hoe EPSO de foute opties bouwt

Kijk de uitleg nog eens door en dezelfde patronen komen steeds terug:

Leer elk feit dus samen met zijn buurman: het getal en het getal waarmee het wordt verward, de instelling en die met de vergelijkbare naam.

Zo bereidt u zich voor op de test EU-kennis

  1. Lees eerst de gids. EPSO EU-kennis legt uit wat de test omvat en hoe u ervoor studeert, en de pagina over EU-beleid behandelt de zeven beleidsterreinen.
  2. Leer de instellingen in hun context. De hoofdstukken EU-kennis brengen elk onderwerp als audio, dia's, infographic en verslag; hoofdstuk 1 is gratis. De kaart van de EU-instellingen toont waar de 70 instellingen, organen en agentschappen gevestigd zijn.
  3. Oefen in volume. Elk van onze acht AD5-oefensets heeft 30 vragen over EU-kennis met uitgewerkte uitleg, en de EU-beleidsbijbel voegt er 145 aan toe met een pdf van 182 pagina's.
  4. Oefen in uw tweede taal. De test wordt afgelegd in Taal 2. De site werkt in 14 talen, dus schakel over naar de taal waarin u wordt getest.

De test hoort bij Deel 2 van het AD5-vergelijkend onderzoek, verwacht in 2027, dus er is tijd om de stof grondig door te nemen. De gids over Deel 2 legt uit wat er na de redeneertests komt.

Oefen EU-kennis met volledige uitleg

Set 1 bevat 30 vragen over EU-kennis. De eerste 5 kunnen zonder account, en een gratis account opent alle 30.

Open de oefensets → Eerste 25 vragen gratis · Premium €7 per maand · altijd opzegbaar

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft de EPSO-test EU-kennis?

In het AD5-vergelijkend onderzoek EPSO/AD/427/26 heeft de test EU-kennis 30 meerkeuzevragen in 40 minuten, afgelegd in uw tweede taal. De drempel is 15 op 30.

Telt de test EU-kennis mee voor de rangschikking?

Ja. Boven de drempel is de score voor EU-kennis goed voor 30% van de voorlopige score en 25% van de eindscore, dus elk extra punt verbetert uw plaats.

Welke onderwerpen behandelt de EPSO-test EU-kennis?

De EU-instellingen en hoe ze werken, de Verdragen, de besluitvormings- en wetgevingsprocedures, de begroting, de grondrechten, de bevoegdheden van de Unie en haar belangrijkste beleid en huidige prioriteiten.

Hoe studeert u het best voor de test EU-kennis?

Leer de regels uit de Verdragen samen met de feiten waarmee ze worden verward, en oefen daarna met vragen op tijd die elke foute optie uitleggen. Oefen in de taal waarin u wordt getest.

Vragen geschreven door EU Testing voor dit artikel, op 28 oktober 2026, en gecontroleerd aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Testformat: EPSO-aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/427/26.